Vader van twee

Phishing
Honden en katten vliegen de asieldeur uit, lees ik in de krant. Ten huize Marien is het bijna van hetzelfde laken een broek. Sinds kort zwemmen hier vier guppies in een aquarium rond. Na jaren van halsstarrig weigeren om een dier in huis te halen (‘Please, mama en papa, please.’) zijn mijn vrouw en ik overstag gegaan. Ook vachthonger kent haar varianten, zoals schubhonger. Maar dan bots ik als pragmatisch amateurfilosoof op de terechte vraag of dieren wel in huis gehouden moeten worden? Horen ze wel thuis in een kom, een kooi, een mand, een bench of een tuin? Is het wel goed voor hun welzijn? Horen ze niet rank en vrij te leven in de vrije natuur? En is het hebben van een huisdier hoegenaamd nog wel van deze tijd?
Hoe dan ook, de vissen zwemmen en ogen zo gezond als een, excusez le mot, vis. Ze worden dagelijks gevoederd, het water wordt gefilterd en na enige tijd maken we ook de glazen woonst schoon. Dan verhuizen de vier naar een tijdelijke emmer in eigen nat. Bij het overzetten naar hun vertrouwde aquarium liep het laatst mis. Eerst gaf vis Blub (zo heeft de jongste hem genoemd, niet meteen haar meest originele ingeving) geen krimp. Daarna schoot hij als een pijl naar de steentjesbodem, waar hij zich op zijn rug draaide en alleen nog maar krimpen leek te geven. Zijn kieuwen kletterden als de luiken van een sfeervol vakantiehuis tijdens een onweer in de Oostenrijkse bergen. Wie ooit in de Oostenrijkse bergen zo’n onweer heeft meegemaakt, weet precies wat ik bedoel. Dochterlief sloeg meteen in paniek. Ze heeft, zeker op het vlak van dieren, een gevoelige natuur. Haar broer, die paniek en verdriet bij zijn zus niet verdragen kan, liet meteen zijn Buck Dannystrip uit zijn handen vallen en spurtte richting zus en schubachtigen. Wanneer hij het huisdier van zijn zus in een ware doodstrijd verwikkeld zag, sloeg de paniek ook hem om het hart. Mijn vrouw had ondertussen enkele malen gegild. Zelf bleef ik ontzettend cool. Dat blijf ik haast altijd in noodsituaties. Wanneer anderen in shock gaan, maakt een enorme rust zich van me meester. Er is ongetwijfeld een deskundig spoedarts aan me verloren gegaan. Mijn gedachten hinkten ondertussen op, wel ja, twee gedachten. Enerzijds wilde ik mijn kinderen troosten en hen warme en geborgen vadersarmen aanbieden. Ik sloot mijn dochter in de armen terwijl ik met een halflosse hand, ietwat geforceerd, want ik moest alle zeilen bijzetten om de kleine angsthaas te kalmeren, ook liefdevol over de kruin van mijn oudste probeerde te gaan. Anderzijds wilde ik het dierenleed verzachten en zo kort mogelijk houden. Ik bleef trouw aan mijn gekende cool en mompelde slechts één woord: ‘Defibrillator.’ Haast tegelijkertijd schoot me te binnen dat water en elektriciteit niet meteen leed-beperkend samenwerken. Met veel dank overigens aan de cursus van het Helpertje die ik op tienjarige leeftijd bij de lokale Rode Kruis afdeling volgde. Eén welgemikte klap op de guppiekop was de volgende oplossing die ik in totale rust wist te bedenken. Ik zette mijn dochter op de grond, die ter plaatste begon te trappelen alsof ze hoogdringend een sanitaire stop moest inlassen. Maar de huidige stand van zaken verdroeg gaan pauzes. Er moest even dringend actie ondernomen worden.
‘Ik ga hem afmaken,’ zei ik uiteindelijk met gortdroge stem.
‘Nee!’ krijste mijn vrouw en ze trok als een bezetene aan mijn mouwen.
‘Nee, papa, niet doen!’ reageerden de kinderen in koor.
‘Zet hem terug in de emmer!’ schreeuwde de jongste. ‘Snel!’
Mijn vrouw, die met haar tranen het waterniveau van het huisbassin gevaarlijk deed stijgen, schraapte bijzonder trefzeker de doodzieke patiënt van de bodem en dompelde hem opnieuw onder in de emmer. Blub deed enkele secondes niets. Daarna verkende hij de grijze watervergaarbak zoals hij zijn aquarium verkent: chill en toch actief in zekere mate.
Met vier hingen we vervolgens boven de emmer en analyseerden elke beweging die hij maakte. Hij gaf de indruk zo fris als een waterhoen te zijn. We haalden opgelucht adem, droogden onze tranen en sloegen elkaar vriendschappelijk op de schouders. Uiteindelijk konden we die kerel met zijn hyperactieve kieuwen probleemloos in het thuisaquarium uitzetten.
Eind goed, al goed, heet zoiets terwijl ik weiger om slotzinnen met varkens en lange snuiten te parafraseren. ‘Maar,’ zegt een boos filosofisch stemmetje nu in mijn achterhoofd. ‘Hadden we dit niet beter voorkomen door gewoon geen guppies in huis te halen? Hebben we onszelf niet om de tuin laten leiden door toe te geven aan onze schubhonger? Een haast klassiek geval van phishing, toch?’

Ze heten allemaal Louise*

Twee weken geleden werd mijn dochter geboren. En net als bij elke geboorte van een eigen kind davert je eigen kleine wereldje op al zijn grote grondvesten. Als kersverse vader word je heen en weer geslingerd tussen emoties van vreugde en verdriet, tussen het moederhuis en de drukker, tussen je eerstgeborene en het nieuwe mensje. Deze keer wilde de borstvoeding niet goed lukken. Na een goed gesprek met de competente verpleging beslisten we op flessenvoeding over te schakelen. Een dag later, een zondag, zouden we met de baby naar onze woonst net buiten de binnenstad verhuizen. Zondag betekende ook naar de apotheek van wacht rennen om een blik Nan Pro 1 in te slaan. Gelukkig hadden we in een verloren hoekje van de voorraadkast nog een fles Cristaline Louise mineraalwater staan die geschikt was voor zuigelingenvoeding. Dat het allemaal snor zou komen, geloofde ik graag.

Na de eerste onzekere nacht thuis bestond mijn eerste werk erin een flinke voorraad van dat mineraalwater in te slaan. Zowel mijn liefste als ik twijfelden aan de herkomst van de fles. Zij dacht aan Delhaize, ik gokte op Aldi. Aangezien we vlakbij een Delhaize wonen, startte ik mijn zoektocht daar. Ik vond er veel bronwater, water ook dat geschikt is voor zuigelingen, maar niet de bewuste Louise die ik zocht. Ik was ervan overtuigd dat ik mijn gram zou halen in de Aldi-winkel in de binnenstad. Groot was mijn verbazing toen ik zag dat het hele minerale vak Louise leegstond. Dinsdag pas zou een nieuwe lading arriveren. Een snel rekensommetje leerde me dat ik niet tot de dag nadien kon wachten. Ik moest en zou vandaag op z’n minst een nieuwe fles in huis halen. Omdat we hier in een samenleving van overvloed leven, heeft een provinciestadje als de mijne niet genoeg aan één Aldi. Met een zware voet scheurde ik dan ook naar Aldi II. Deze winkel stond  helemaal op zijn kop. Binnen enkele dagen zou de volledig vernieuwde vestiging openen en alle producten waren her en der neergeplant. Uiteindelijk vond ik de minerale speld in de hooiberg, maar het was miserie troef. Deze fles Cristaline Louise was niet de fles die ik zocht, sterker nog, ze was hoegenaamd niet geschikt om aan zuigelingen te voeren. Maar omdat ik niet graag met lege handen een winkel verlaat, nam ik toch twee flessen van dat verdomde goedje mee. Ondertussen legde ik  al mijn hoop in de handen van Colruyt neer. Op weg naar de goedkoopste winkelketen bonkte mijn hart bijna uit mijn borstkas. Wat als ik ook daar naast de geschikte fles zou grijpen? Verschrikkelijke beelden van rijen uitgedroogde baby’s spookten door mijn brein dat langzaam begon over te schakelen op paniekmodus. Ondanks de paniek zocht ik bijzonder trefzeker mijn weg tussen de grijze rekken. Al snel stond ik oog in oog met liters vocht. Maar wat ik daar zag deed mijn gemoedstoestand schommelen tussen hoop en wanhoop. Oh jawel, de Heer zei geprezen, want deze winkel verkocht Louise water. Maar, en nu kwam het schuim me bijna op de mond te staan, het Louise water was niet van het merk Cristaline en het spul dat ik wel degelijk zocht werd enkel in bidons van vijf liter verkocht, godsakke. Nu, iedereen met een beetje verstand weet dat je een geopende fles binnen enkele dagen dient te gebruiken. Met een vijfliterfles zou dat niet het geval zijn en als het om een pasgeborene gaat wil je als ouder geen enkel risico lopen. Voor de zekerheid en omdat ik niet anders kan deed ik mezelf een kloeke bidon cadeau. Aan de kassa besefte ik glashelder dat ik met mijn rug tegen de muur stond. Mijn allerlaatste troef zou ik in de Carrefour-winkel moeten uitspelen. Ik kan me niet meer herinneren hoe ik daar aan de waterrekken ben geraakt. Zeker is dat ik minutenlang met betraande ogen naar de verdomd moeilijk te vinden tweeliterflessen heb staan kijken. Verder heb ik de Heer op mijn blote knieën bedankt. Een vreemd tafereel voor de andere klanten wellicht, en niet in het minst omdat ik een lange en smalle jeans droeg.

Uiteindelijk kwam ik na een dolle rit van bijna twee uur thuis met mijn buit aanwaaien: twee flessen Louise water Aldi, een bidon van vijf liter Cristaline Louise Colruyt en vierentwintig tweeliterflessen van Cristaline Louise Carrefour.

Wanneer een wel erg empathische  jongedame van Kind & Gezin me twee dagen later meldde dat ze het Louise water van Cristaline afraadde om deze en gene reden, had ik haar bijna eigenhandig gewurgd. Op het nippertje wist ik me te beheersen en met een kwinkslag wist ik me uit de ongemakkelijke situatie te redden: ‘Wilt u iets drinken? Een watertje of zo?’

* Ze heten misschien allemaal Louise, maar die van mij die heet Nanou.

Plastic indian summer

Eén grote, geglobaliseerde wereld, met als zijn rampen en bedreigingen, is best wel beangstigend. De vragen die dan steeds bij me opkomen: Heb ik er wel verstandig aan gedaan om twee kinderen op de wereld te zetten? Zullen ze zelf op de vlucht moeten slaan? Zullen ze moeten vechten om zuivere lucht en drinkbaar water? En overleven ze die kernramp in hun achtertuin?
Wanneer het angstzweet me uitbreekt, dwing ik mezelf om stil te staan bij een uitspraak van goeroe Herman Brood: ‘Kinderen,’ zo zei hij op een mooie dag, ‘vergroten je angst niet. Ze verkleinen ze.’

Laatst was ik met mijn twee koters op stap. De zomer zinderde nog na. We stopten aan een brug. Daaronder stroomden liters donker water naar de zee. Op de bermen aan de dijk gonsde het van bedrijvigheid. Hommels, bijen en vlinders vlogen af en aan. De lokroep van de laatste nectar zorgde haast voor een verkeersinfarct op de kleurige bermen. Mijn kinderen gooiden stenen in het water. Wat later lieten ze, vanop het midden van de brug, grote grassprieten in het water vallen en snelden naar de andere kant om hun bootsprieten te volgen. ‘Goede vaart!’ riep de oudste en de jongste giechelde. Toen stak er een felle wind op. Het bermgras plooide zich naar één kant, net als de lange haren van de jongste. Dan dook daar plots een plastiek zak op. Hij danste enkele tellen op de planken van de brug en steeg omhoog. ‘Vang die zak!’ beval ik bijna instinctief, ‘voor hij in het water valt.’ De twee renden er achteraan, maar wonnen het niet van de wind. De zak belandde in het water. ‘Jammer,’ reageerde ik. ‘Alweer extra plastiek dat richting zee drijft.’
‘Gaat die zak nu naar de zee, papa?’ vroeg mijn jongste.
Ik knikte: ‘Alles wat in een rivier terechtkomt, belandt uiteindelijk in de zee.’
‘Maar dan gaan we toch gewoon naar zee, papa. En dan haal ik die zak daar uit het water.’ De jongste keek me aan en opende haar armen: ‘Toch?’
‘Het is weekend, papa,’ viel haar broer haar bij. ‘We kunnen morgen nog gaan. Trouwens, mama is dol op de zee.’
Ik keek naar mijn eigen vlees en bloed en moest lachen. Ik zag de onschuld op twee paar jonge benen, boordevol goede wil. Daar staat mijn toekomst, wist ik. En de toekomst ziet er rooskleurig uit. Herman Brood had dat goed begrepen.