Meer dan eens: de integrale tekst met aanwijzingen van de illustrator
Spread 1 links
(Tweepaginavullende spread met worm 1+2 in de moestuingrond. Hij eet grond weg. Dor en droog met wat verlept groen.)
De grond is kurkdroog.
Ik krijg amper een korrel door mijn keel.
Bovendien smaakt hij naar niks
en niks smaakt saai.
Bovengronds is het niet veel beter.
Wat ooit groen was, kleurt nu bruin.
Het gras is dood.
De bloemen laten hun koppen hangen.
Dat wil ik ook doen.
Er klinkt gerommel in de verte.
De hemel kleurt pikzwart.
Een bries blaast langs mijn ringen en ik ruik het nat.
Hier komt eindelijk gedonder van.
Nog even en de regen roffelt op het zand.
Nog even en het is van modderbad en broodje brij.
Spread 1 rechts
(Idem)
Ooit was dit een paradijs met wortels die hun oranje hoedje toonden. Met ronde, gezonde aardappelen onder en hun prachtige witte bloemen boven de grond. De sla krulde en plooide dat het een lieve lust was. Rondom de moestuin zag je gras en bloemen. De mooiste geuren en kleuren bloeiden en groeiden door elkaar. Ik hield van de zoete walm van de rozen. Dauwdruppels op een margriet deden mijn hart bonken van verrukking. Ik kon hier wroeten en woelen waar ik maar wilde. Voor zachte brij at ik mezelf een weg tussen de bloemen. Voor pit en kruidigheid bezocht ik de donkere aarde van de moestuin.
Maar dat paradijs hangt in de touwen. De grote droogte slaat ongenadig toe. De kleurenpracht oogt flets. De dauwdruppels in de ochtend zijn op één ring te tellen en ik moet alsmaar dieper voor een smakelijke hap. Net als de sla en de margrieten snak ik naar regen. Zou het vandaag dan toch gebeuren? De loodgrijze hemel en de frisse bries doen het beste vermoeden. Ik weet dat het ondergronds veel veiliger is, nu grote mensenlieden af en aan lopen, met hun rieken en schoppen. Ze ploegen en schoffelen alsof hun leven ervan afhangt. Maar ik wil getuige zijn van de eerste druppel die valt. Het grote gevaar neem ik erbij. ‘Problemen los je toch maar op wanneer ze zich voordoen. Niet eerder.’ Ik hoor het mijn vader nog zeggen.
Spread 2 links
(Tweepaginavullende spread met grote schep, opspattende aarde, donkere lucht.)
Dan zoeft iets voorbij.
Tsjakkk.
Meteen krijg ik het ijskoud.
Rillingen lopen van mijn kop tot mijn staart.
‘Ademen’, zeg ik tegen mezelf.
‘Blijf ademen.’
Maar ik blijf rillen en trillen.
Ik bibber en beef.
Ik voel me totaal verloren en gebroken.
Spread 2 rechts
(Idem)
Een felle windvlaag rolt voorbij. Ik kan de regen haast ruiken. Bijna gniffel ik om wat komen gaat. Dan trilt de aarde en een scherpe kou dringt tot diep in mijn lijf. Samen met enkele brokken aarde word ik opgetild. Licht als een veer zweven we door de lucht en met een smak land ik tegen een houten wand. De wereld duizelt en wordt donker als de nacht.
Spread 3 links
(Worm 1 kruipt weg naar links, van de pagina af.)
Ik krijg de daver niet van mijn lijf geschud.
Ik focus op mijn ademhaling.
Het lukt me niet.
‘Tel je ringen, lieverd’, hoor ik mijn moeder weer zeggen.
‘Tel je ringen, wanneer je het even niet meer weet.’
Ik adem diep in en wil onderaan beginnen,
maar door het trillen zie ik mijn ringen dubbel.
Achter mij gaapt een kuil.
Ik pers mijn ogen open en begin opnieuw.
Het duurt even voor ik begrijp hoe de vork in de steel zit.
Het zoeven, het tsjakken en de venijnige kou …
Een snelle steek van een spade heeft me gebroken.
Ik ben de helft van wat ik daarnet nog was.
Geen idee waar mijn andere helft naartoe is.
Geen spoor meer van de dader en zijn schop.
Ik weet dat ik hier weg moet.
Ik raap mezelf weer bij elkaar
en sleep me tot onder een krop sla.
Spread 3 rechts
(Worm 2 kruipt weg naar rechts, van de pagina af.)
De wand draait voor mijn ogen. Gras en zand dansen om me heen. Ik voel me een zielig hoopje ellende en maak me zo klein mogelijk. ‘Ademen, lieverd’, fluisterde mijn moeder altijd, wanneer het donker aan mijn ringen trok.
Ik tel de teugen lucht die ik naar binnen zuig. Na vijftien staat alles en iedereen om me heen weer stil. Alhoewel, het krioelt hier van het leven, zo tussen tuinhuis en mesthoop. Zwarte mieren sjouwen zware lasten op hun ruggen. Groenblauwe vliegen landden op, naast en tussen de drollen, wriemelen met hun voorste poten en stijgen even snel weer op. Maar al dat gewriemel trekt hongerige jagers aan. Te lang op een plek als deze blijven is riskant. Ik moet gaan, en snel.
Ik schud mijn ringen flink door elkaar, maar achteraan hapert wat. Ik wring mezelf in een bocht om een deskundige blik op mijn zaak te werpen. Toch kan ik amper een halve bocht maken. Ik heb stevig aan lengte ingeboet. Het gaat hier ongetwijfeld om een spijtig geval van halvering. Net als zovelen van mijn soortgenoten ben ik slachtoffer geworden van die grote lieden met hun gevaarlijk zwaaiende schoppen. Van de dader en zijn wapen is geen spoor meer te bekennen. En waar mijn andere helft naartoe is, daar heb ik eveneens het raden naar. Ik voel opnieuw de messcherpe kou van daarnet en heb nu dubbel zoveel zin om het op een huilen te zetten. Ik moet denken aan mijn vaders wijze woorden: ‘Wij wormen zijn dubbel zo sterk als de anderen. Net daarom kan elke worm het met de helft minder doen.’ Ik zeg tegen mezelf dat ik sterk moet zijn. Ik zuig wat lucht naar binnen en kruip naar de mesthoop, op zoek naar een veilige plek tussen tak en blad.
Allerlei donkere gedachten spoken door mijn hoofd. Ik zal nooit meer volledig mezelf zijn.
Spread 4 links
(Worm 1 wordt gegrepen door de egel.)
Dan duikt geruisloos een egel op.
Er is geen tijd om me uit de ringen te maken.
Het beest haalt uit.
Een sterke klauw drukt me tegen de grond.
Ik krijg geen adem meer.
‘Jij ruikt vet vlezig’, merkt de egel fijntjes op.
‘Ik kan wel een flinke hap gebruiken.’
Ze opent haar stinkende bek.
Ik zie scherpe tanden blinken.
‘Halt!’ piep ik.
De egel lost haar greep.
Ik haal diep adem en kreun.
Ze kijkt me vragend aan.
Haar neus gaat op en neer.
Haar buik knort.
‘Even geduld’, zeg ik om tijd te winnen.
Ik moet iets bedenken. Nu meteen.
Spread 4 rechts
(Worm 2 wordt gegrepen door de merel. Onderaan zie je de man in de moestuin zoeken naar wormen.)
Wanneer twee stevige vogelpoten naast me landen, komt mijn deprigedachtenstroom abrupt ten einde. Nog voor ik ‘Help!’ kan schreeuwen, zit ik stevig in een gele bek geklemd. De merel vliegt met mij naar een boom bij het tuinhuis. Voor het eerst mag ik de wereld vanuit de hoogte bekijken. Bijna word ik vrolijk van de slappe bloemen en het doffe groen daar beneden. Bijna ben ik verrukt over de vlucht. Bijna, want een snavel knijpt mijn ringen plat. Ik krijg geen lucht en snak naar adem. Doe iets, beveelt een stem in mijn hoofd. Zo kun je toch niet de pijp uitgaan?
Spread 5 links
(Worm 1 praat met de egel, terwijl de egel hem in een houdgreep houdt.)
‘Als je nog een minuutje hebt, of twee’, probeer ik.
‘Als je nu even de andere kant op kijkt,
dan … dan …’
‘Wat dan?’ vraagt ze nors.
‘Wel … dan zie je mijn grote broer verschijnen.’
Ik flap het eruit.
Geen idee waar ik het vandaan haal.
Ik heb geen grote broer. Zelfs geen kleine.
En ook geen zus.
‘Hij is net na mij vertrokken’, lieg ik verder.
‘Hij is twee keer zo lang en zo vet als ik.’
Egels tong glijdt langs haar lippen. Ze knort.
‘Dat is twee keer eten voor de prijs van één.’
Ze brengt haar natte neus tot vlak bij mijn kop.
Ik slik en sluit de ogen.
Ik bereid me op het ergste voor.
Op tanden die mijn lijf verscheuren.
Op walgelijke pijnen en een allerlaatste zucht.
‘Goed dan’, klinkt het.
‘Ik heb nog een minuutje of twee.’
Traag open ik de ogen.
De egel zet enkele stappen opzij en draait zich om.
Nu, schiet door mijn kop.
Maak je nu uit de ringen.
Spread 5 rechts
(Worm 2 praat met de merel op een tak van de boom.)
‘Lekker weertje’, kreun ik. Een lullig weerpraatje aanknopen is het eerste wat me te binnen schiet. Meteen verslapt de wurggreep. De merel beweegt zijn kop heen en weer.
‘Eindelijk regen op komst’, probeer ik weer. ‘Het wordt hoog tijd. De droogte is diep onder de grond gekropen.’
Het rotbeest reageert niet. Ik moet het over een andere boeg gooien. Ik probeer de vogel beter te bekijken. Deze topjager is vrij stevig gebouwd. Ik krijg een idee, een riskant idee, maar alles is beter dan verdwijnen in een bloeddorstige keel.
‘Is het wel verstandig om mij naar binnen te spelen?’ vraag ik. ‘Ik bedoel maar, het lijkt erop dat u best een worm mag overslaan.’
De snavel omklemt me eens zo fel.
‘Een dagje vasten is altijd gezond’, piep ik. Ik voel mijn buik tot in mijn keel rollen en er verschijnen zwarte vlekken voor mijn ogen. Net op het moment dat mijn licht voor altijd zal uitgaan, hoor ik een verre stem. Plots kan ik weer ademen. Het zwart lost langzaam op. De pijn trekt weg. De lijzige stem komt van ergens daar beneden. Onderaan de boom zit een rat.
De knager krult zijn staart en zegt: ‘Alle mannen met vleugels zijn zangers, maar lang niet alle zangers zingen zoals u.’
Spread 6 links
(Worm 1 hapt door donkere grond een weg naar beneden.)
Muisstil sluip ik bij de egel vandaan.
Dan steek ik mijn kop in het zand
en begin als een gek te happen en te slikken.
Kauwen doe ik later wel.
Als er nog een later komt.
In geen tijd verdwijn ik onder de grond.
Pas wanneer ik geen zand meer voor mijn ogen zie,
hou ik op met wroeten.
‘Rotworm!’ galmt nog door mijn tunnel.
Spread 6 rechts
(De merel zingt en worm 2 valt naar beneden.)
De borst van mijn merel zwelt. Zijn veren krullen.
‘Ik zei gisteren nog tegen mijn vrouw: “Ik zou een moord begaan voor twee druppels regen. Maar ik zou twee moorden begaan voor een lied van die ene artiest uit onze tuin.”’ De vleier gaat op zijn achterpoten staan en zegt opvallend zoet: ‘Een lied dat klinkt als een symfonie van twee sneetjes kaas boordevol gaten.’ Hij lacht zijn snijtanden bloot. Ik begrijp dat hij op iets heel anders uit is dan een privéconcert.
‘Toe maar’, gaat de rat door. ‘Ik luister met al mijn oren.’
De merel steekt zijn kop hoog in de lucht. Ik wil schreeuwen van ‘Nee, niet doen!’, maar de eerste noten verlaten zijn keel. Meteen tuimel ik naar beneden. Ik houd me schrap voor de klap, maar de doortrapte knager springt een flink stuk omhoog en plukt me met zijn voorpoten uit de lucht.
‘Hihi’, giechelt staartmans. ‘Wie honger heeft, moet slim zijn.’
De merel is zich nog steeds van geen kwaad bewust. Hij blijft de meest hemelse klanken over de tuin verspreiden. Zijn staart wipt op en neer.
‘Zo kan ie wel weer!’ schreeuwt de rat naar de zanger.
De vogel kijkt naar beneden en valt stil. Zijn verenkleed verdubbelt in omvang.
‘Jij lafaard! Onderkruiper! Hier krijg je spijt van.’ De merel spreidt zijn vleugels en duikt driftig neer naar de rat en mij.
Net op dat ogenblik verschijnt een van die grote lieden, zwaaiend met de armen in de lucht. De merel weet de man maar net te ontwijken en de rat laat me vallen als een baksteen. Hij schiet tussen de mensenbenen door en verdwijnt in de moestuin.
Daar lig ik dan, uitgeteld, onderaan de boom. Graag had ik de tijd genomen om te bekomen van mijn vliegen en vallen. Toch moet ik er zo snel mogelijk alles aan doen om te voorkomen dat mijn tijd gekomen is. Dus ik steek mijn kop in het zand en begin als een gek te graven.
Spread 7 links
(Worm 1 zit in een holletje in de grond, je ziet de tunnel die hij heeft gegraven.)
Hier zit ik dan.
Nipt ontsnapt aan een vreselijk lot.
Ondergronds en in tweeën gedeeld.
Jezelf verliezen is geen ramp.
Het overkomt elke worm van tijd tot tijd.
Maar hoe maakt mijn andere zelf het?
Waar hangt die uit?
Waar kruipt mijn andere kant naartoe?
Zal ik op zoek gaan?
Heeft dat zin?
Dan hoor ik mijn vaders stem: ‘Verworm je.’
Met frisse moed breid ik mijn tunnel uit.
Spread 7 rechts
(Worm 2 wordt gegrepen door een grote hand.)
Ik ben amper onder de grond verdwenen of ik word uit mijn tunnel geplukt. Ditmaal beland ik in een warme mensenhand. Geen paniek. Wie tweemaal aan de dood is ontsnapt, doet dat nog een derde keer. Ik hou me stil, doodstil. Een klassieke truc onder alle kriebelbeesten. Met een beetje geluk doet dat stuk mens me onmiddellijk van de hand.
Spread 8 links
(Tweepaginavullende donkere lucht met regen.)
Plots hoor ik een doffe klap.
Snel volgt een tweede, dan een derde en een vierde.
Tot de hele boel begint te roffelen.
Alle wormen nog aan toe.
Het regent. En wel hier in deze tuin.
Wanneer ik mijn kop naar buiten steek,
sijpelt het eerste water binnen.
De hemel is grijs. Er waait een frisse wind.
De moestuin wordt een modderbad.
Eerst drink ik gulzig van een plas.
Ik spoel alle droge brokken door.
Dan duik ik in de zwarte brij.
Ik draai en keer.
Ik dans en draai en voel me vrij.
Spread 8 rechts
(Idem)
Het blijft akelig lang stil. Dan hoor ik een zachte plof, die snel wordt gevolgd door een tweede en een derde. De volgende knalt pardoes op mijn kop en spat uit elkaar.
‘Regen!’ roep ik enthousiast. ‘Eindelijk regen!’ Ik zie nog meer druppels uit de hemel vallen en begin te kronkelen van plezier.
Spread 9 links
(Tweepaginavullende spread zonder tekst: de moestuin in de regen. Je ziet voor het eerst de hele moestuin.)
Spread 9 rechts
(Idem)
Spread 10 links
(Worm 1 wordt gegrepen door de merel. Je ziet alleen de vogelpootjes en het uiteinde van de worm.)
Tot een schaduw me overvalt.
Ik hoor geen tsjak. Eerder een zjoef.
Plots zit ik geklemd in een gele bek.
Meteen gaan we ervandoor.
Ik ben er gloeiend bij, dat weet ik heel zeker.
Angstig wacht ik tot ik verdwijn.
Maar we landen op het dak van het tuinhuis.
Een merel legt me neer.
Hij draait zich om en poetst zijn verenkleed.
Ik ruik een tweede kans.
Ik kruip haastig naar de rand.
‘Doe het niet’, zegt de vogel.
‘Of ik prik je helemaal lek.’
Ik stop en keer mijn kop.
Strenge ogen staren me aan.
Wat zal ik deze keer bedenken?
Spread 10 rechts
(De man heeft worm 2 vast en bekijkt hem goed.)
‘Ik wist wel dat je niet echt dood was’, zegt een schorre stem. Ik verstijf van angst. Een vette vinger tikt me aan. ‘Geen komedie meer, worm. Ik ken alle truken van de tuin.’
‘Verschoning’, zeg ik en ik kijk mijn belager zo vriendelijk mogelijk aan. Zijn hoofd is zo rond als een bloemkool. Zijn neus lijkt wel een aardappel. Ach, dit type mensenman, dat verbazingwekkende gelijkenissen vertoont met de groentes die hij kweekt, breng ik wel snel en eenvoudig van slag. ‘Als ik even mag.’ Ik zet mijn mooiste glimlach op. ‘Ik ben helemaal geen worm.’
De man trekt zijn neus op.
‘Ziet u, u denkt dat ik een worm ben. En wie iets heel hard denkt, gelooft het ook.’
De man houdt zijn kolenhoofd schuin.
‘Helaas heb ik minder goed nieuws voor u: Ik. Ben. Geen. Worm.’
Even weet de mensenman niet wat te zeggen. Dan gniffelt hij.
‘Worm of geen worm, jij en ik gaan samen hengelen.’
Spread 11 links
(De merel heeft worm 1 stevig beet en praat met hem.)
‘Je ruikt erg smakelijk’, zegt de merel.
‘Als dessert kan dat wel tellen.’
Tijd rekken, praatje maken, zegt een stem in mijn kop.
‘Hebt u al gegeten vandaag?’ vraag ik voorzichtig.
Ik kijk om me heen.
Vlakbij, in een hoek van het dak, gaapt een gat.
Het slokt gulzig alle regen op.
‘Ik mag niet klagen’, antwoordt de merel.
Rek het praatje, beveelt de stem.
‘Als ik zo brutaal mag zijn’, probeer ik.
‘Wat hebt u tot nu toe achter de bek?’
Ik werp een nieuwe blik.
Die opening daar kan mijn redding zijn.
‘Wel,’ zegt de merel, ‘ik begon mijn dag
met een slijmerige slak of twee.
Vervolgens at ik een trio van vochtige pissebed.
En daarnet nog ving ik een duo van rups
op een zacht bedje van zand.’
‘Meneer is een liefhebber’, zeg ik.
De vogel zet een hoge borst op.
Ik voel mijn durf groeien.
Spread 11 rechts
(Een vishaakje en worm 2 die angstig kijkt.)
Mijn gordijn van mist en twijfel wordt meteen weggewuifd.
‘Gezellig hoor, een namiddag samen vissen aan de plas.’
Ik begrijp niet wat hij met vissen bedoelt. Net als zovelen heb ik weleens vreemde verhalen gehoord, maar uiteindelijk weet niemand van ons er het fijne van.
‘Gaan vissen, zegt u. Hoe gaat zoiets in zijn werk, mijn beste mens? Ik ben nu eenmaal nieuwsgierig van aard.’
‘Wel’, zegt de man en hij grijnst. ‘Het is iets met een stok. Aan de stok hangt een lijn. Aan de lijn hangt een haak en aan die haak hangt een …’ De man glundert en lacht zijn gele tanden bloot.
‘Interessant. Zegt u het maar.’ Ik sta op het punt om een eeuwenoud mysterie te ontrafelen.
‘Nou’, snuift de man. ‘Aan de haak hangt een worm zoals jij.’ Hij haalt de schouders op. ‘En met wat geluk sla ik straks een smakelijke vis aan de haak.’
Mijn ringen verstijven en ik proef een zure smaak in mijn mond. Mijn leven hangt hier aan een zijden draadje. Maar ik geef me niet gewonnen en recht mijn ringen.
‘Vissen is barbaars’, protesteer ik. ‘Jij laat een worm lijden om een vis te vangen.’
‘Ik vis niet zomaar’, zegt de man. ‘Ik eet die vis ook op.’
Ik geloof mijn oren niet.
‘Nu nog mooier’, zeg ik. ‘Dus je vermoordt niet enkel de worm, je maakt ook de vis een kopje kleiner.’
‘Van de kop blijf ik af, net als van de staart. Daar zit geen vlees aan.’
‘Wel, visserke-vis, aan wat u allemaal doet, krijg ík kop noch staart.’ Mijn boosheid groeit als een kolonie champignons op een composthoop.
‘Maakt mij niks uit. Vissen gaan en zullen we. Wanneer jij straks aan zo’n haakje hangt, zing je wel een toontje lager.’ Twee worstvingers komen akelig dicht in mijn buurt.
Spread 12 links
(Uitgezoomd naar het dak van het tuinhuis, met de ontsnappingsroute, de merel kijkt naar de lucht.)
‘Maar wat zegt mevrouw daarvan?’
‘Mijn vrouw scharrelt haar eigen potje bij elkaar.’
Er gaat mij een licht op.
‘Moet meneer niet een beetje op zijn lijn letten?’
De merel barst in lachen uit.
‘Begin jij nu ook al? Waarom zou ik?’
‘Om sneller te kunnen vliegen’, zeg ik.
‘Een bolle buik remt de volle vaart.’
Mijn volgende zin fluister ik:
‘Vliegt u misschien trager dan de andere mannen hier?’
De merel brengt zijn snavelpunt naar mijn kop.
Ik vrees het ergste.
‘Er is niks mis met mijn lijn.’
‘Natuurlijk niet, meneer’, piep ik.
‘Of toch?’ De vogel schudt vertwijfeld zijn kop.
‘Daarnet zei een andere worm exact hetzelfde.’
Hij klapwiekt met zijn vleugels.
‘Ik ben hoe dan ook de snelste in deze tuin.’
‘Kunt u dat bewijzen?’ wil ik weten.
Zijn borst zwelt.
‘Natuurlijk. Nog voor jij tot tien hebt geteld,
knal ik wel tien rondjes om dit huis.’
Spread 12 rechts
(De man loopt lachend achteruit richting hark.)
‘Wacht!’ gil ik en mijn gedachten stuiteren alle kanten op.
‘Waarom zou ik?’
‘Omdat ik eh … ’ Mijn kop staat op ontploffen. ‘Omdat ik nog een goede mop ken over twee vissers.’ Ik verbaas me over mijn eigen vindingrijkheid.
‘Ach, waarom niet’, zegt de mens. ‘Als ze straks niet bijten, kan ik nu een beetje lachen.’
‘Goed idee, mijn beste visserman’, zeg ik en ik schraap mijn keel. ‘Er zitten twee vissers in een bootje. “Oeps,” zegt de ene, “er zit een gaatje in de boot.” Waarop de andere: “We maken nog een gat bij. Dan kan het water er langs daar weer uit.”’
Eerst houdt mijn bewaker zijn lippen stijf op elkaar. Regendruppels lopen over zijn dikke wangen naar omlaag. Dan begint hij voorzichtig te grinniken. En na een behoedzame ‘haha’ volgen iets luidere ‘hoehoe’s’. Uiteindelijk proest hij het uit. Zijn hele lijf schokt en schudt. En in zijn hand zwalp ik van de ene naar de andere kant en toch raak ik maar niet over de rand.
Spread 13 links
(De vogel vliegt weg en je ziet nog net het staartje van worm 1.)
Hij trippelt tot aan de dakrand en haalt diep adem.
‘Ik ben er helemaal klaar voor, worm.
Ben jij dat ook?’
Ik kruip richting gat.
‘Natuurlijk’, antwoord ik.
‘Op mijn teken: drie, vier, START!’
Zonder aarzelen gooit de merel zich van het dak.
Hij knalt een eerste keer voorbij.
‘Een!’ tel ik zo luid ik kan.
Ik kronkel naar mijn redding.
‘Twee!’ gil ik en pers alles uit mijn halve lijf.
De trotse vogel blijft maar gaan.
‘Drie!’ Mijn kop raakt het stromende water.
De merel heeft niets in de gaten.
‘Vier!’ Het water sleurt me mee.
Ik zie een zwarte flits en verdwijn in het gat.
Vijf, denk ik. En help, ik verdrink!
Een tel later spuwt het donkere gat me weer uit.
Zes, schiet door mijn kop.
Ik beland in een grote plas en drijf naar de rand.
Omlaag, weet ik. Ik moet de diepte in.
Meteen graaf ik een gang in het o zo malse zand.
Spread 13 rechts
(De man valt in de kruiwagen en worm 2 vliegt door de lucht van de pagina af.)
‘We maken …’ buldert de visser. ‘We maken nog een gat bij!’ Op slappe benen begint hij door de tuin te scharrelen. Dan trapt hij met een voet op de onderkant van een hark. De steel veert onmiddellijk op, mist op een haar na zijn aardappelneus, maar treft hem vol op de wang. De wereld staat twee tellen stil. Vervolgens dondert de aangeslagen visserman steil achterover in een kruiwagen.
Opnieuw word ik door de lucht gekatapulteerd. Ik zie wolken en zand, wolken en land in volle, malse moestuingrond.
Spread 14 links
(Tweepaginavullende spread met donker, beide wormen liggen opgekruld te slapen op hun eigen pagina. Tekening van de worm is klein, tekst staat in de achtergrondkleur.)
Tweemaal ben ik aan de dood ontsnapt.
Ik heb niet meteen zin om mijn nek weer uit te steken.
Ik rol me op en sluit de ogen.
Onmiddellijk val ik in een onrustige slaap.
Ik zie een mensenschop voorbijflitsen
en ben mezelf niet meer.
Ook mijn twee helften worden doormidden gehakt.
En zo gaat dat maar door.
Een merel blaast zijn borst op.
‘Straks prik ik je lek’, zingt hij.
Een egel schatert het uit.
‘Rotworm, deze keer ontsnap je me niet’, lacht ze.
‘Ik rijt je aan stukken.’
De aarde begint te schudden en te beven.
Achter mij stort de tunnel in.
In paniek kruip ik naar boven.
De tuin ruikt naar heerlijk natte aarde.
Maar het schokken en schudden houdt niet op.
Vlakbij rammelt een scherpe schop de boel door elkaar.
Een mensenhand rukt aan de steel.
Alle lichten in mijn kop springen op rood.
Foute boel, weet elke worm.
Wakker worden, bijt ik mezelf toe.
Ontwaak uit deze kwade droom.
Spread 14 rechts
(Idem)
Met mijn laatste krachten sleep ik me tot onder de kronkelblaadjes van een krop sla. Door de plensbui geurt het groen fris en scherp, maar ik heb even geen boodschap aan de verjongingskuur van de tuin. Mezelf schuilhouden, rusten en mijn ogen sluiten is het enige waar ik aan denken kan. Ik kijk nog eens goed om me heen. Deze kust is veilig en vochtig. Meteen sukkel ik in een diepe, maar onrustige slaap.
Ik droom van duizend druppels die uit de hemel vallen. Ik kronkel van plezier in verse, bruine plassen en eet mijn buikje meer dan rond. Alsmaar meer wormen verzamelen zich in de tuin. We maken er een feestje van tot er onverwacht smerige vissers opduiken. Zij maken kabaal, parkeren hun kruiwagens en gooien hun schoppen en harken pardoes op de grond. Met hun grote handen scheppen ze talloze wormen uit de plassen. Ook mij krijgen ze te pakken en ik word in een grote emmer gekieperd waar een massa van mijn vrienden kronkelt van angst. Over de rand van de emmer kijken enkele kraalogen ons aan. Snijtanden blinken. De emmer wordt omgekieperd en poten graaien naar ieder van ons. Een rat met slechts één oog stuift met mij en twee andere ongelukkigen naar de moestuin. In geen tijd slokt hij het duo kronkelvrienden naar binnen. Hij kwijlt, hij smakt, zijn bek schuimt. ‘Nu ga ik jou verscheuren’, zegt hij. ‘En ik ga extra traag kauwen om je goed te kunnen proeven.’
Spread 15 links
(Close-up van het gezicht van de man.)
Ik open de ogen.
Daar lig ik dan, in de palm van een smerige mensenhand.
Een vette vinger pint me vast.
‘Jij blijft hier, worm.
Ik laat me geen twee keer vangen.’
Ik bekijk mijn derde belager op rij.
Zijn hoofd is rond. Zijn haren hangen in slierten
en op een van zijn wangen zit een blauwe plek.
‘Eerst ga ik jou lekker te eten geven.
En wanneer je buikje rond en gezond is,
gaan jij en ik samen vissen.’
Hij gniffelt.
Spread 15 rechts
(Close-up van het gezicht van de egel.)
Ik schreeuw het uit van angst en schiet wakker. Maar deze werkelijkheid is minstens even angstaanjagend als mijn droom. Voor mij staat geen rat met blinkende snijtanden, maar een logge egel met een brede, schuimende bek. Aan haar scherpe tanden hangen nog enkele restjes van een vorige maaltijd.
‘Vet vlezig ben je niet meteen’, zegt ze. ‘Maar als dessert kun je er wel door.’
Ik tril als een blad. Dit is het dan, spookt door mijn hoofd. Dit is het einde.
Spread 16 links
(Tweepaginavullende spread. Je ziet de voeten van de man, met een bungelend staartje van worm 1 en je ziet de egel met worm 2.)
‘Wat bedoelt u met samen vissen?’
vraag ik zo vriendelijk mogelijk.
Ik moet snel een gesprek aanknopen.
Dat heeft al tweemaal mijn vel gered.
‘Wel’, zegt de man en hij schraapt de keel.
‘Je hebt een stok met daaraan een lijn.
Aan die lijn hangt een haak.
En aan die haak hang … ’
De man lacht zijn gele tanden bloot.
‘Boeiend, ga door’, zeg ik.
‘Nou, aan die haak hang … ’
Hij giechelt en wijst naar mij.
‘… jij.’
De visser schatert het uit. Zijn lichaam begint te schokken.
Hij zet een pas opzij en schreeuwt het uit van de pijn.
‘Allemaal de schuld van zo’n vervloekte worm als jij!’
Zijn vette vingers knijpen me haast plat.
‘Excuus’, kreun ik. ‘Ik neem het allemaal op mij.’
Spread 16 rechts
(Idem)
‘Al heb ik dan genoeg gegeten voor een week’, smakt de egel. ‘Zo’n smal worstje als jij kan er net nog bij.’ Ze klakt met haar tong.
‘Wacht’, probeer ik. ‘Heb een minuut geduld.’ Ik zie niet meteen hoe ik uit deze benarde situatie kan ontsnappen, maar tijd winnen is het enige wat ik kan verzinnen.
‘Begin jij nu ook al?’ vraagt de egel nors.
Dit exemplaar is niet meteen met de juiste poot uit het nest gewaggeld. Ik moet voorzichtig handelen.
‘Lekker weertje vandaag, mevrouw de egel. Toch?’
De egel snuift.
Ik probeer te klinken als die slijmrat van daarstraks.
‘Eerlijk gezegd lijkt u me niet in topvorm. Is er iets wat u dwarszit?’
‘Eerlijk?’ vraagt de egel. ‘Wat heb je nou aan al dat eerlijk zijn? Zal ik jou eens wat vertellen?’ Ze legt een poot op mijn ringen en pint me vast. ‘Ik ben altijd een eerlijk dier geweest, maar vanmorgen ontmoette ik iemand van jouw soort die me lelijk bedotte.’
‘Hoezo?’ Ik kan amper ademhalen.
Ze haalt haar poot weg, waardoor ik verse lucht naar binnen zuigen kan.
‘Ik moest zogezegd op de broer wachten, die twee keer zo lang en vet was. Maar die broer is nooit komen opdagen en achter mijn rug wist die sjoemelaar wel mooi te ontsnappen.’
‘Mevrouw de egel toch, het spijt me verschrikkelijk.’
‘Ik heb toen tegen mezelf gezegd dat het leven aan de sjoemelaars is, en dat ik vanaf nu elke dag en nacht lekker aan het sjoemelen en sjacheren zal gaan.’
Ik schud hevig mijn hoofd.
‘Mevrouw, als het een troost kan zijn, onder de grond doen wij niet aan sjacheren.’
Ze kijkt me aan. Er verschijnt een venijnige lach op haar gelaat.
‘Dat is dan jammer voor jou, schatje, want wij zitten hier boven de grond. En hier moet je pakken wat je pakken kunt.’ De egel opent haar walmende bek. Haar tanden raken mijn ringen. Ik hoop dat het snel voorbij zal zijn.
Spread 17 links
(Tweepaginavullende tekening van de man, hinkelend met stekels in zijn voet en een opgerolde egel op de grond. Beide wormen kruipen weg, beide van de pagina af, maar naar het midden van de spread.)
Dan houdt het schreeuwen en schokken op.
Zijn greep verslapt.
Ik kan weer ademhalen.
‘Misschien …’ mompelt hij.
‘Misschien moet ik een gat bijmaken.’
Hij grijnst.
‘Hoe bedoelt u?’ wil ik weten.
Zolang we praten, gaan we niet vissen.
Maar de man antwoordt niet.
Zijn lach klinkt alsmaar luider.
Zijn hele lijf schokt ervan.
‘Mensenman’, probeer ik nog.
Hij zet twee passen achteruit,
herstelt zich en wankelt de moestuin in.
‘AAAAAAAAAAAAUUUUUUUUUUUUWWWWWWWWWW!’ gilt hij dan.
Vanaf de eerste A laat hij me los.
Ik tol door de lucht.
Ik zie wolken, gras, wolken en smak tussen de zachte zoden.
‘Rotegel!’ scheldt de visser.
Ik rep me naar het dichtstbijzijnde groen.
Onder het wortelloof kom ik op adem.
Ik hoor nog wat gestommel en geschreeuw.
Dan wordt het akelig stil.
Spread 17 rechts
(Idem)
Toch voel ik geen verschroeiende pijnen. Ik hoor vooral gestommel en gelach, want daar komt de visserman met het bloemkoolhoofd vervaarlijk aanwaggelen. De egel rolt zich onmiddellijk op tot een stekelbol. Nog enkele passen en de wankele visser zal ons beiden verpletteren. Het doek zal alsnog vallen. Tot mijn grote verbazing wordt alleen de stekelegel geraakt door een van de mensenvoeten. Meteen gaat de visserman joelen van de pijn. In een ruk draai ik me om en maak me zo snel mogelijk uit de ringen. Ik bedwing mijn reflex om ondergronds te gaan. In plaats daarvan rep ik me dieper de moestuin in, tussen het loof van de aardappelen en ik vraag me af wat me nu nog overkomen kan. ‘Rotegel!’ klinkt het nog. Uiteindelijk wordt het stil in de tuin. Akelig stil, terwijl een stem in mijn hoofd snuift van ‘Ik ben toch een worm, vuile visserman. Ik ben toch een worm.’
Spread 18 links
(Alleen beeld: tweepaginavullende spread van de twee worden in de moestuin, op het punt elkaar te ontmoeten tussen de worteltjes.)
Spread 18 rechts
(Idem)
